Bij het overlijden van een goede vriend staat mijn hart even stil. Ook al wist ik dat hij niet lang meer te leven had, toch ben ik er niet op voorbereid. Dood is definitief, dood is nooit meer met hem praten, nooit meer samen grapjes maken, nooit meer me thuis voelen bij hem. Dood zou eigenlijk verboden moeten worden, want er is geen bal aan.
Leven is veel leuker, leven is leven. Tot je dood gaat. Daar heb je het weer, dood. Het enige zekere in je leven, op je geboorte na dan. Ik snap ook wel dat eeuwig leven iets te veel van het goede is en dat de aardbol dat niet aan kan, maar 80 jaar leven vind ik echt te kort.
Ik zal me erbij neer moeten leggen, maar vandaag nog niet. Misschien morgen of overmorgen. Vandaag ben ik tegen de dood.
En dan opeens sta ik in de keuken een pakje vet te smelten. Ik gooi er gemengde zaadjes in en laat het afkoelen. Ondertussen hang ik in elk bakvormpje een draadje. Met de bijna-gestolde-zaadjes-in-het-vet vul ik de vormpjes.
Gisteren heb ik hem teruggevonden. Trijntje zong de teksten van haar vader en ze raakten me, zoals ze dat eerder ook deden: “Ken je mij? Wie ken je dan? Weet je mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik”?
Verkleumd kwam je thuis, waar moeder de warme chocolademelk klaar had staan. De volgende dag ging je weer en de dag daarna en daarna. Er kwam geen einde aan. Toch is dat gebeurd, ergens ongemerkt is het ijs gaan smelten en smelten. Tot het water besloot nooit meer te bevriezen en schaatsen tot het verleden behoorde.
Senior ben ik en dat gaat nooit meer over. Maar grijs ben ik niet. G