Vandaag blijf ik binnen en de rest van de week ook. Ik heb mezelf huisarrest gegeven, want mijn hittebestendigheid is niet meer wat ie was. Ooit reed ik in bloedheet Frankrijk mijn eigen Tour de France. Zonder volgwagen of masseur, fietste ik in stilte van col naar col. S’ avonds zette ik mijn gammele tentje op, at twee borden lauwe pasta en viel om acht uur als een blok in slaap. Na drie weken fietsen was mijn hoofd leeg en mijn lijf (bijna) zo gespierd als Tom Dumoulin.

Nu zit ik op de bank met de gordijnen dicht en kijk op televisie naar hordes fietsende mannen, ronkende motoren en opdringerige auto’s. Wat een drukte, wat een herrie. Waarom fietsen ze niet lekker in hun eentje door Frankrijk. Waarom moet er zoveel heisa over gemaakt worden, met helikopters, rondemissen en persmomenten. Ik snap er niets van, wie laat zijn drie weken fietsvakantie nou toch zó verpesten.
Er was een tijd dat ik nog geen tante was, toen was ik alleen maar een zus. Tante word je pas als je zus of broer kinderen krijgt. Voor mijn nichtje ligt dat anders, toen zij geboren werd kreeg ze gelijk een tante erbij. Dat wist ze op dat moment nog niet, maar al gauw kreeg ze door dat die vrouw die zo op haar moeder leek, wel erg vaak op bezoek kwam.
Vanuit elk etablissement kijk je uit over het eindeloze Groninger land. Goudgele tarwe, het groene blad van suikerbieten en de strak in het gelid staande aardappels vormen het gezamenlijke decor van een variëteit aan eetervaringen. Niet dat ik ze allemaal uitgeprobeerd heb, want vlees en vis zijn niet mijn ding en ik eet graag biologisch. De keukens kan ik dus niet beoordelen, maar hun uitzicht over de velden wel. En dat is adembenemend.