Kruimeltje

bron: privécollectie

Ach wat een schatje, dit kleine opdondertje met haar stralende lach. Zoals ze daar staat, met die te grote broek en vaders pet op haar koppie. Haar naam is Gini, geboren in 1920. Ze is de dochter van de buurvrouw van de oma van huisgenoot M. Ik kwam haar tegen in een oud fotoboek.

In die tijd werden meisjes nog gekleed als meisjes. In een jurkje, met een strikje in het haar en glimmend gepoetste schoentjes. Zij niet, zij is verkleed als Kruimeltje, het zwerfjongetje dat na veel tegenslagen zijn ouders terugvindt. Haar ouders waren hun tijd ver vooruit, zij hebben gezien dat er in hun dochtertje een belhamel school.

Ik stel me zo voor dat ze een tomboy geworden is, ook al bestond dat woord toen nog niet. Een meisje dat gek was op buiten spelen en in bomen klimmen, dat kattenkwaad uithaalde en oude vrouwtjes hielp met boodschappen dragen. Een meisje dat haar hele leven de pet van vader op had, als ode aan haar jeugdheld Kruimeltje.

Taalpurist

Een goede vriendin vertelt me dat ze een oude hockeyvriend ontmoet heeft. Ze had hem jarenlang niet gezien, want ‘hun contact was afgewaterd’. Ik denk dat je ‘verwaterd’ bedoelt, merk ik op. Het komt vaker voor dat ze me verrast met taalvariaties. Ze woont afwisselend in Canada en Nederland, husselt regelmatig woorden en uitdrukkingen door elkaar en maakt zo een nieuwe taal.

Ik ben nogal een taalpurist en verbeter haar elke keer. Soms vraag ik mezelf af: waarom moet ik haar zo nodig corrigeren? Ik moet er vaak om lachen en begrijp gelijk wat ze bedoelt als ze afgewaterd zegt in plaats van verwaterd. Bovendien word ik zelf niet graag verbeterd in mijn taalgebruik, dus waarom zou ik dat bij haar wel doen.

Daarom beloof ik hierbij dat ik ermee ophoud en gewoon ga genieten van de taalvondsten van mijn Nederlands/Frans-Canadese vriendin. Zo voorkom ik ook dat het contact tussen haar en mij afwatert. Of verwatert. Ik reken het vanaf nu allebei goed.

Voor Carla

Lelijk eendje

Ik kocht ze toen ik in een dorp ging wonen met een eigen ijsbaan. Eigenlijk ben ik niet zo van het schaatsen, mijn enkels gaan pijn doen en mijn bochtentechniek is afwezig. Een beetje krabbelen over het ijs, meer is het niet. Maar ik wou me niet laten kennen. Al mijn nieuwe dorpsgenoten op het ijs en ik niet, dat was geen goed begin.

Ik kwam er al snel achter dat ik het lelijke eendje van de ijsbaan was. Links en rechts werd ik ingehaald. Tijd voor een kennismakingspraatje was er niet, behalve als ik weer eens een smak op het ijs maakte, dan lieten mijn nieuwe dorpsgenoten zich van hun aardigste kant zien. Na drie dagen op de ijsbaan kende ik iedereen en iedereen kende mij.

Mijn schaatsen konden weer uit. Missie geslaagd.

Sneeuwneus

Als ik Benthe door de keukendeur de tuin in laat gaan, blijft ze eerst op de drempel staan. De wind staat recht op de deur en waait poedersneeuw op haar kop. Ze aarzelt even en zet dan voorzichtig een stap naar buiten. Ze neemt een hap uit de sneeuw, keurt het en zet het op een rennen. Als een dolle stier sjeest ze door de tuin. Dit is leuk, dit is feest.

Na een kwartier roep ik haar binnen. In plaats van te komen daagt ze me uit met haar te spelen. “Baasje, ik wil achter sneeuwballen aanrennen, doe je mee?” Maar baasje vindt het te koud, baasje is niet zo stoer.

Ze schudt de sneeuw van haar neus en begint aan haar volgende renrondje. Die komt vandaag niet meer binnen.

Rollator

Als ik de kleine wachtkamer van de polikliniek binnenkom zitten er al vijf mensen. Het is vijf over elf, ik ben precies op tijd. Toch zal ik nog lang niet geholpen worden, want eerst moet er uitgebreid gedruppeld worden. Door de praatgrage verpleegkundige. Niet alleen bij mij, maar ook bij de anderen. In deze wachtkamer wordt alleen gedruppeld en gepraat.

Er ontstaat een levendig gesprek tussen de grijze, kromgebogen vrouw met aftandse rollator en de verpleegster. De wielen van haar rollator zijn tot op de velg versleten, maar ze wil geen nieuwe: ‘Ik loop er zo lekker achter’. Het liefst zou ze het even voordoen, maar de wachtkamer is te klein om op veilige afstand een rondje te lopen. We geloven haar zo wel.

Om beurten brengt de verpleegkundige ons naar de behandelkamer. Daar staat de arts klaar. De een is langer binnen dan de ander, maar voor iedereen geldt dat ie er wat bleekjes weer uit komt. Met een snelle groet en ‘sterkte’ verlaat de overlevende van de behandeling zo snel mogelijk de polikliniek. Gezellige praatjes worden pas over een maand weer gemaakt.